| |
Er zijn twee soorten goederen: homogene goederen en
heterogene goederen.
Homogene producten zijn identiek aan elkaar. Bij
heterogene goederen zijn er kleine
verschillen.
De mate waarin de producenten verschillend zijn van elkaar in de
ogen van de consument.
• Homogeen product: als volgens de consument de producten
niet van elkaar verschillen: elektriciteit.
• Heterogeen product: als volgens de consument de producten
wel van elkaar verschillen: frisdrank, chips, fietsen, mobiele
telefoons etc. In dit geval vervullen de producenten in dezelfde
behoeften. (producten zijn elkaars substituten: producten die
volgens de consument kunnen voorzien in de zelfde behoeften).
Marktvormen:

Volkomen concurrentie: Veel producenten die allemaal
hetzelfde homogene (elektriciteit) product aanbieden. Prijs is
exogeen (producent geen invloed op). Producenten worden op deze
markt ook wel hoeveelheidsaanpassers genoemd, omdat het enige
wat ze kunnen beïnvloeden is de hoeveelheid die ze produceren. Ze
passen de marginale kosten zo aan dat ze gelijk zijn aan de
marktprijs.
Monopolistische concurrentie: veel producenten van heterogene
producten. Denk aan restaurants, lijken allemaal op elkaar, en
vervullen dezelfde behoeften, maar er zijn bijv. visrestaurants en
pizzeria’s. Het verschil met volkomen concurrentie is dat
producenten nu wel invloed hebben op hun prijs , maar die invloed
blijft wel beperkt door sterke concurrentie. De gelijkenis met
volkomen concurrentie is dat er veel aanbieders zijn met ieder een
eigen deelmarkt die wel heel dicht tegen elkaar aanschuren.
De macht die een producent op een markt heeft, is afhankelijk van de
mate van
concurrentie tussen producenten. De mate van concurrentie
wordt bepaald door het
aantal aanbieders en het soort product (homogeen of heterogeen).
Monopolie: als er maar 1 producent is, heb je te maken met
een monopolie. Hij hoeft geen rekening te houden met andere
producten, dus veel invloed op de prijs. Wel moet hij rekening
houden met wat de consumenten willen (dit is de collectieve
vraagcurve).
Marktaandeel: dit is als er wel concurrenten zijn, maar heel
weinig (lijkt op een monopolie). Ze hebben 1 product maar een groot
marktaandeel.
- een producten produceert 100 stoelen.
- de totale productie is 800 stoelen.
- hij heeft een marktaandeel van: 100 / 800 x 100% = 12,5%
Duopolie: als er maar 2 producten zijn.
Oligopolie: op de meeste markten zijn er enkele producenten.
Homogeen oligopolie: Alle producenten maken hetzelfde
product. Bijvoorbeeld op de markt van elektriciteit. Er zijn
verschillende energiemaatschappijen, maar ze bieden allemaal
hetzelfde product aan: elektriciteit. Als producent heb je weinig
invloed op de prijs.
Heterogeen oligopolie: je hebt meer invloed op je prijs van
je product, want je product verschilt van dat van de andere
producenten. Als je de prijs verhoogt, zullen sommige consumenten
(kopers) weglopen naar de concurrent, maar sommige zullen blijven.
Puur omdat ze een voorkeur hebben voor een bepaalde versie van het
product.

|
|