Economiepagina.com

 
  Economie leren en oefenen doe je op economiepagina.com: uitleg, oefentoetsen en alle examens!  
     
     
     
 

oefenopgaven globalisering

antwoorden

 
       
   
       
 

terug naar globalisering

terug naar Index havo

 
     
 

Index
Globalisering havo
Samenvatting hoofdstuk 3: Wereldmarkten in goede en slechte tijden deel 6

 
     
 

Er zijn twee soorten goederen: homogene goederen en heterogene goederen.
Homogene producten zijn identiek aan elkaar. Bij heterogene goederen zijn er kleine
verschillen.

De mate waarin de producenten verschillend zijn van elkaar in de ogen van de consument.
Homogeen product: als volgens de consument de producten niet van elkaar verschillen: elektriciteit.
Heterogeen product: als volgens de consument de producten wel van elkaar verschillen: frisdrank, chips, fietsen, mobiele telefoons etc. In dit geval vervullen de producenten in dezelfde behoeften. (producten zijn elkaars substituten: producten die volgens de consument kunnen voorzien in de zelfde behoeften).

Marktvormen:



Volkomen concurrentie: Veel producenten die allemaal hetzelfde homogene (elektriciteit) product aanbieden. Prijs is exogeen (producent geen invloed op). Producenten worden op deze markt ook wel hoeveelheidsaanpassers genoemd, omdat het enige wat ze kunnen beïnvloeden is de hoeveelheid die ze produceren. Ze passen de marginale kosten zo aan dat ze gelijk zijn aan de marktprijs.

Monopolistische concurrentie: veel producenten van heterogene producten. Denk aan restaurants, lijken allemaal op elkaar, en vervullen dezelfde behoeften, maar er zijn bijv. visrestaurants en pizzeria’s. Het verschil met volkomen concurrentie is dat producenten nu wel invloed hebben op hun prijs , maar die invloed blijft wel beperkt door sterke concurrentie. De gelijkenis met volkomen concurrentie is dat er veel aanbieders zijn met ieder een
eigen deelmarkt die wel heel dicht tegen elkaar aanschuren.

De macht die een producent op een markt heeft, is afhankelijk van de mate van
concurrentie tussen producenten. De mate van concurrentie wordt bepaald door het
aantal aanbieders en het soort product (homogeen of heterogeen).

Monopolie: als er maar 1 producent is, heb je te maken met een monopolie. Hij hoeft geen rekening te houden met andere producten, dus veel invloed op de prijs. Wel moet hij rekening houden met wat de consumenten willen (dit is de collectieve vraagcurve).

Marktaandeel: dit is als er wel concurrenten zijn, maar heel weinig (lijkt op een monopolie). Ze hebben 1 product maar een groot marktaandeel.
- een producten produceert 100 stoelen.
- de totale productie is 800 stoelen.
- hij heeft een marktaandeel van: 100 / 800 x 100% = 12,5%

Duopolie: als er maar 2 producten zijn.

Oligopolie:
op de meeste markten zijn er enkele producenten.

Homogeen oligopolie: Alle producenten maken hetzelfde product. Bijvoorbeeld op de markt van elektriciteit. Er zijn verschillende energiemaatschappijen, maar ze bieden allemaal hetzelfde product aan: elektriciteit. Als producent heb je weinig invloed op de prijs.

Heterogeen oligopolie: je hebt meer invloed op je prijs van je product, want je product verschilt van dat van de andere producenten. Als je de prijs verhoogt, zullen sommige consumenten (kopers) weglopen naar de concurrent, maar sommige zullen blijven. Puur omdat ze een voorkeur hebben voor een bepaalde versie van het product.