| |
Bestedingen:
Alle aankopen van consumenten, bedrijven, overheid en het buitenland.
Consumentenvertrouwen:
Het
consumentenvertrouwen geeft informatie over het vertrouwen en de
verwachtingen van consumenten over de ontwikkelingen van de Nederlandse
economie.
Koopkracht:
Koopkracht
geeft aan hoeveel goederen een huishouden kan kopen met het besteedbaar
inkomen. Bij gelijkblijvend inkomen en stijgende prijzen daalt de
koopkracht.
Consumeren:
Het kopen van goederen en diensten om in je behoeften te voorzien.
Investeren:
Het kopen van kapitaalgoederen (machines) door bedrijven.
Behoeften:
Het begrip behoefte kan gedefinieerd worden als wensen die mensen graag
vervuld zouden zien worden.
Schaarste:
Wanneer
er productiemiddelen moeten worden opgeofferd om het product voort te
brengen. Schaarste ontstaat doordat we aan de ene kant oneindig veel
behoeften hebben, maar slechts een beperkte hoeveelheid
productiemiddelen om in die behoeften te voorzien. Schaarste dwingt
daarom tot afwegen wat we het belangrijkste vinden, tot prioriteiten
stellen en tot het maken van keuzes.
Vrije
goederen:
Goederen
die in onze behoeften kunnen voorzien en die niet schaars zijn. Deze
goederen zijn gratis te verkrijgen. Bijvoorbeeld: zonlicht en wind.
Middelen:
Iets wat in je behoefte kan voorzien.
Opofferingskosten:
Opofferingskosten is hetzelfde als de waarde van het beste, niet
gekozen, alternatief.
Alternatief
aanwendbaar:
Middelen
(productiefactoren, geld) die voor meer dan een aanwending gebruikt
kunnen worden. Een eenheid arbeid kan bijvoorbeeld worden ingezet bij
de productie van graan of van aardbeien. Eenmaal ingezet voor de
graanproductie kan diezelfde eenheid arbeid niet op hetzelfde moment
worden gebruikt bij de aardbeienproductie. Er moet een keuze worden
gemaakt. |
|