| |
Nominale
waarde:
De extrinsieke waarde of nominale waarde is gelijk aan de waarde die op
het geld gedrukt staat.
Intrinsieke
waarde:
De intrinsieke waarde is gelijk aan de waarde van het materiaal waar
het geld van gemaakt is.
Chartaal
geld:
Munten en bankbiljetten. Contant geld, cash geld of baar geld.
Giraal
geld:
Een
onmiddellijk opeisbare tegoed bij een geldscheppende bank. Het geld kan
via opvragen (pinnen) of overschrijving worden in contanten worden
opgenomen.
Algemeen
aanvaard:
Eigenschap van geld die aangeeft dat een bepaalde vorm van geld door
iedereen wordt geaccepteerd.
Ruilmiddel:
Middelen
kun je ruilen tegen geld en dit geld kun je weer ruilen tegen
andere middelen.
Rekeneenheid:
Als
je het geld gebruikt als rekenmiddel dan is het een waardemeter:
verschillende middelen kun je dan met elkaar vergelijken met behulp van
hun geldwaarde.
Spaarmiddel:
Geld
maakt het mogelijk om te ruilen over de tijd. Zo kun je besluiten om
geld dat je nu hebt op de bank te zetten, om er pas later iets voor te
kopen.
Zelfvoorzienend:
Zelfvoorzienend
is het economisch streven zo min mogelijk afhankelijk te zijn van
anderen. Zelfverzorging of autarkie zijn synoniemen.
Arbeidsdeling:
Het
verdelen van het werk over verschillende personen. Doel is een hogere
arbeidsproductiviteit. Omdat iedereen een eigen taak heeft kan er
sneller en meer productie plaatsvinden. Zo heb je in een supermarkt
allerlei verschillende taken en beroepen: caissières, slager, bakker,
vakkenvullers, emballagemedewerker en bedrijfsleider.
Specialisatie:
Specialisatie
is het zich toeleggen op iets specifieks. Dit kan op verschillende
gebieden. Met de industriële revolutie is in de economie een vergaande
arbeidsdeling doorgevoerd. Een specifiek beroep wordt ook wel een
specialisatie genoemd.
Arbeidsproductiviteit:
De
productie per werknemer per periode. De arbeidsproductiviteit gaat
omhoog als dezelfde hoeveelheid producten in minder arbeidsuren kan
worden gemaakt. Of als met dezelfde hoeveelheid arbeidsuren een grotere
productie kan worden gerealiseerd. Dit kan door betere scholing van de
arbeiders of door betere machines.
Ruil:
Het uitwisselen van middelen.
Transactiekosten:
Kosten die je maakt tijdens het ruilen of handelen. Voorbeelden:
transportkosten, onderhandelingskosten, verzendkosten.
Ruil in
natura:
Goederen (of diensten) ruilen voor goederen (of diensten).
Optimale
verdeling:
De beste verdeling met de gegeven mogelijkheden.
Absoluut
voordeel:
Als de kosten voor het maken van een bepaald product lager zijn dan die
in andere landen.
Comparatief
voordeel:
Comparatieve
voordeel houdt in dat een land een bepaald product relatief goedkoper
kan produceren dan een handelspartner in vergelijking met andere
producten, zelfs wanneer één speler alles voordeliger kan produceren
dan de andere speler. Het comparatieve voordeel geeft aan waarom het in
de internationale economie voordelig kan zijn om handel met elkaar te
drijven.
Rekening-courant
tegoed:
Betaalrekening (tegoed).
Krediet:
Lening.
Hypothecaire
lening:
Een
hypotheek (hypothecaire lening) is een geldlening met een lange
looptijd voor een huis, gebouw of fabriek met dit gebouw onderpand. Als
de lening niet kan worden voldaan legt de bank beslag op het gebouw.
Liquide
middelen:
Het kas(geld) en het geld op de bank van een bedrijf.
Liquiditeitspercentage
(dekkingspercentage):
De
verhouding tussen liquide middelen en rekening-couranttegoeden. Oftewel
de liquide middelen van een bank gedeeld door de rekening-courant
tegoeden.
Consumentenvertrouwen:
Het consumentenvertrouwen
geeft informatie over het vertrouwen en de verwachtingen van
consumenten over de ontwikkelingen van de Nederlandse economie. |
|