Invuloefening LWEO Lesbrief crisis hoofdstuk 2 havo
Vul de ontbrekende woorden in.
Tweet
1. Als je het geld gebruikt als
middel dan is het een waardemeter.
2.
voorzienend is het economisch streven zo min mogelijk afhankelijk te zijn van anderen.
3. De
waarde is gelijk aan de waarde van het materiaal waar het geld van gemaakt is.
4. Het uitwisselen van middelen noemen we
.
5. Kosten die je maakt tijdens het ruilen of handelen zijn
kosten. Voorbeelden: transportkosten, onderhandelingskosten, verzendkosten.
6. Munten en bankbiljetten. Contant geld of cash geld noemen we
geld.
7. De extrinsieke waarde of
waarde is gelijk aan de waarde die op het geld gedrukt staat.
8. Goederen (of diensten) ruilen voor goederen (of diensten) is ruil in
.
9. Een
of hypothecaire lening is een geldlening met een lange looptijd voor een huis, gebouw of fabriek met dit gebouw onderpand.
10.
geld is een onmiddellijk opeisbare tegoed bij een bank.
11. De productie per werknemer per periode is de
.
12. Als de kosten voor het maken van een bepaald product lager zijn dan die in andere landen. Dit noemen we
voordeel.
13. Het kas(geld) en het geld op de bank van een bedrijf zijn
middelen.
14. Geld als
middel maakt het mogelijk om te ruilen over de tijd.
15. Het
vertrouwen geeft informatie over het vertrouwen van consumenten over de ontwikkelingen van de Nederlandse economie.
16. De verhouding tussen liquide middelen en rekening-couranttegoeden is het
percentage.
17. Middelen kun je ruilen tegen geld en dit geld kun je weer ruilen tegen andere middelen. In dit geval heeft geld de functie van
middel.
18.
is het zich toeleggen op iets specifieks.
19.
voordeel houdt in dat een land een bepaald product relatief goedkoper kan produceren dan een handelspartner in vergelijking met andere producten.
20. Arbeids
is het verdelen van het werk over verschillende personen. Doel is een hogere arbeidsproductiviteit.
Kloppen mijn antwoorden?
OK