| |
Werknemer:
Iemand die in dienst van een bedrijf betaald
werk uitvoert.
Loon:
De beloning voor de productiefactor arbeid.
Premie:
Het
bedrag dat iemand betaalt als hij een verzekering heeft afgesloten. De
premie wordt betaald aan de verzekeringsmaatschappij die daarmee de
financiële gevolgen van een schade overneemt.
Verzekeren:
Het overnemen van de financiële gevolgen van een schade door een
verzekeringsmaatschappij van een verzekerde.
Rente:
De prijs van geleend geld. Een andere naam voor rente is interest.
Huur:
De beloning voor het ter beschikking stellen van bezit.
Pacht:
De beloning voor het gebruik van land dat iemand moet betalen.
Primaire
inkomens:
Het
totale inkomen dat je ontvangt voor het ter beschikking stellen van
productiefactoren. De optelsom van: loon, pacht, huur, rente en winst.
Nettoloon:
Het loon dat overblijft als de belasting en
sociale premies zijn ingehouden.
Besteedbaar
loon:
Het loon na aftrek van belastingen en sociale premies. Besteedbaar loon
is hetzelfde als nettoloon.
Loonheffing:
Het
totaalbedrag wat je werkgever van je brutoloon afhaalt. Loonheffing
bestaat uit loonbelasting en de premies volksverzekeringen. Loonheffing
is een voorheffing op de inkomstenbelasting.
Loonbelasting:
Belasting dat je over je loon moet betalen.
Premies
volksverzekeringen:
De premies die je betaald voor de sociale verzekeringen voor alle
inwoners. Bijvoorbeeld: AOW, AWBZ en ANW.
Pensioenfonds:
Een
organisatie die premies int van werknemers en deze belegt om later
pensioenen uit te kunnen keren aan de deelnemers aan het pensioenfonds.
Brutoloon:
Het salaris wat je met je baas hebt afgesproken. Hier is nog niets van
ingehouden.
Inkomstenbelasting:
Belasting die je
over je inkomen moet betalen.
Aftrekposten:
Bepaalde uitgaven
die je van je inkomen mag afhalen, waardoor je uiteindelijk minder
belasting hoeft te betalen.
Hypothecaire
lening (hypotheek):
Een
hypotheek (hypothecaire lening) is een geldlening met een lange
looptijd voor een huis, gebouw of fabriek met dit gebouw onderpand. Als
de lening niet kan worden voldaan legt de bank beslag op het gebouw.
Belastbaar
inkomen:
Bruto inkomen min aftrekposten.
Inkomensheffing:
Het bedrag dat je aan belasting en premie volksverzekeringen over je
inkomen moet betalen.
Belastingschijven:
Het
belastbaar inkomen wordt in Nederland verdeeld in maximaal vier
schijven. Hierover wordt via een oplopend percentage de
inkomensheffing berekend.
Algemene
heffingskorting:
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen
loonheffing. Dit geldt voor iedereen.
Arbeidskorting:
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing
voor iedereen die werkzaam is.
Draagkrachtbeginsel:
Mensen
met een hoger inkomen betalen in verhouding meer belasting dan mensen
met een lager inkomen. De sterkste schouders, dragen de zwaarste lasten.
Progressief
tarief:
Het belastingpercentage wordt hoger als je inkomen hoger wordt.
Nivellering:
De verschillen tussen hoge en lage inkomens worden kleiner.
Gemiddelde
heffingsdruk (gemiddeld tarief):
Loonheffing als percentage van het brutoloon.
Marginaal
tarief (marginale heffingsdruk):
Het
percentage belasting dat je betaalt over extra verdiend inkomen.
Oftewel het percentage dat je over je laatst verdiende euro moet
betalen.
Proportioneel
stelsel:
Het belastingstelsel waarbij alle inkomens hetzelfde percentage
belasting betalen.
Degressief
stelsel:
Het belastingstelsel waarbij het gemiddelde
belastingpercentage daalt naarmate inkomen toeneemt.
Denivellering:
De verschillen tussen hoge en lage inkomens worden groter. |
|