Economiepagina.com

 
  Economie leren en oefenen doe je op economiepagina.com: uitleg, oefentoetsen en alle examens!  
     
     
     
 

oefenopgaven jong en oud

antwoorden

 
       
   
       
 

terug naar jong en oud

terug naar lesbrieven

 
     
 

Lesbrieven LWEO
Lesbrief Jong en oud havo
Begrippen hoofdstuk 3: Werken en belasting betalen

 
     
 

Werknemer:
Iemand die in dienst van een bedrijf betaald werk uitvoert.

Loon:
De beloning voor de productiefactor arbeid.

Premie:
Het bedrag dat iemand betaalt als hij een verzekering heeft afgesloten. De premie wordt betaald aan de verzekeringsmaatschappij die daarmee de financiële gevolgen van een schade overneemt.

Verzekeren:
Het overnemen van de financiële gevolgen van een schade door een verzekeringsmaatschappij van een verzekerde.

Rente:
De prijs van geleend geld. Een andere naam voor rente is interest.

Huur:
De beloning voor het ter beschikking stellen van bezit.

Pacht:
De beloning voor het gebruik van land dat iemand moet betalen.

Primaire inkomens:
Het totale inkomen dat je ontvangt voor het ter beschikking stellen van productiefactoren. De optelsom van: loon, pacht, huur, rente en winst.

Nettoloon:
Het loon dat overblijft als de belasting en sociale premies zijn ingehouden.

Besteedbaar loon:
Het loon na aftrek van belastingen en sociale premies. Besteedbaar loon is hetzelfde als nettoloon.

Loonheffing:
Het totaalbedrag wat je werkgever van je brutoloon afhaalt. Loonheffing bestaat uit loonbelasting en de premies volksverzekeringen. Loonheffing is een voorheffing op de inkomstenbelasting.

Loonbelasting:
Belasting dat je over je loon moet betalen.

Premies volksverzekeringen:
De premies die je betaald voor de sociale verzekeringen voor alle inwoners. Bijvoorbeeld: AOW, AWBZ en ANW.

Pensioenfonds:
Een organisatie die premies int van werknemers en deze belegt om later pensioenen uit te kunnen keren aan de deelnemers aan het pensioenfonds.

Brutoloon:
Het salaris wat je met je baas hebt afgesproken. Hier is nog niets van ingehouden.

Inkomstenbelasting:
Belasting die je over je inkomen moet betalen.

Aftrekposten:
Bepaalde uitgaven die je van je inkomen mag afhalen, waardoor je uiteindelijk minder belasting hoeft te betalen.

Hypothecaire lening (hypotheek):
Een hypotheek (hypothecaire lening) is een geldlening met een lange looptijd voor een huis, gebouw of fabriek met dit gebouw onderpand. Als de lening niet kan worden voldaan legt de bank beslag op het gebouw.

Belastbaar inkomen:
Bruto inkomen min aftrekposten.

Inkomensheffing:
Het bedrag dat je aan belasting en premie volksverzekeringen over je inkomen moet betalen.

Belastingschijven:
Het belastbaar inkomen wordt in Nederland verdeeld in maximaal vier schijven. Hierover wordt via een oplopend percentage de inkomensheffing berekend.

Algemene heffingskorting:
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing. Dit geldt voor iedereen.

Arbeidskorting:
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing voor iedereen die werkzaam is.

Draagkrachtbeginsel:
Mensen met een hoger inkomen betalen in verhouding meer belasting dan mensen met een lager inkomen. De sterkste schouders, dragen de zwaarste lasten.

Progressief tarief:
Het belastingpercentage wordt hoger als je inkomen hoger wordt.

Nivellering:
De verschillen tussen hoge en lage inkomens worden kleiner.

Gemiddelde heffingsdruk (gemiddeld tarief):
Loonheffing als percentage van het brutoloon.

Marginaal tarief (marginale heffingsdruk):
Het percentage belasting dat je betaalt over extra verdiend inkomen. Oftewel het percentage dat je over je laatst verdiende euro moet betalen.

Proportioneel stelsel:
Het belastingstelsel waarbij alle inkomens hetzelfde percentage belasting betalen.

Degressief stelsel:
Het belastingstelsel waarbij het gemiddelde belastingpercentage daalt naarmate inkomen toeneemt.

Denivellering:
De verschillen tussen hoge en lage inkomens worden groter.

     
 

gratis! examentraining

eindexamenpagina.nl

 
       
   
       
 

disclaimer & contact

home