Economiepagina.com

 
  Economie leren en oefenen doe je op economiepagina.com: uitleg, oefentoetsen en alle examens!  
     
     
     
 

oefenopgaven jong en oud

antwoorden

 
       
   
       
 

terug naar jong en oud

terug naar lesbrieven

 
     
 

Lesbrieven LWEO
Lesbrief Jong en oud havo
Begrippen hoofdstuk 5: Werken in een bedrijf

 
     
 

Loon:
De beloning voor de productiefactor arbeid.

Huur:
De beloning voor het ter beschikking stellen van bezit.

Rente:
De prijs van geleend geld. Een andere naam voor rente is interest.

Winst:
Winst is het positieve verschil tussen opbrengst en kosten. Is het verschil negatief, dan is er sprake van verlies.

Pacht:
De beloning voor het gebruik van land dat iemand moet betalen.

Ondernemersrisico:
Het financiële risico dat een ondernemer loopt. Er is bijvoorbeeld risico op faillissement of klanten die niet betalen.

Kapitaalgoederen:
Machines.

Investeren:
Het kopen van kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en computers door bedrijven.

Vermogen:
Eigen vermogen + vreemd vermogen.

Eigen vermogen:
Het geld dat door de ondernemer(s) zelf in de onderneming is ingebracht.

Vreemd vermogen:
Dit is vermogen dat door anderen dan de eigenaren in de onderneming is gebracht. Al het geleende geld is vreemd vermogen.

Balans:
Een overzicht op een bepaald moment van bezittingen en schulden van een bedrijf op een bepaald moment.

Activa:

Alle bezittingen van een onderneming.

Passiva:
In de economie zijn passiva de bronnen waarmee een onderneming gefinancierd is, in feite al het geld dat in de onderneming geïnvesteerd is.

Productiefactor:
Productiefactoren zijn alle elementen die produceren mogelijk maken. De productiefactoren zijn: kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap.

Ondernemerschap:
De economische risico's die eigenaren van een bedrijf bereid zijn te nemen.

Winst:
Winst is het positieve verschil tussen opbrengst en kosten. Is het verschil negatief, dan is er sprake van verlies.

Omzet:
Het aantal verkochte producten x de verkoopprijs.

Afzet:
Het aantal verkochte producten.

Vaste activa:
Bezittingen van een bedrijf die meer dan één jaar meegaan. Hier kun je denken aan gebouwen, inventaris en machines. Ook wel vaste kapitaalgoederen genoemd.

Vlottende activa:
Productiemiddelen die korter dan één jaar meegaan of snel zijn om te zetten in geld. Bijvoorbeeld de voorraad goederen in een onderneming.

Voorraadgrootheid:
De waarde van voorraadgrootheden wordt gemeten op een bepaald moment. De omvang van voorraadgrootheden wordt op een bepaald moment gemeten.

Debiteuren:
Dit zijn openstaande rekeningen van reeds geleverde goederen die nog niet  zijn betaald. Een debiteur is iemand die jou nog moet betalen.

Crediteuren:
Crediteuren zijn alle openstaande rekeningen van een onderneming of organisatie die nog betaald moeten worden. Een crediteur is een schuldeiser die je nog moet betalen.

Resultatenrekening:
Een overzicht van alle kosten en opbrengsten in een onderneming. Een andere naam is: Verlies- en winstrekening.

Stroomgrootheid:
De waarde van stroomgrootheden wordt gemeten over een bepaalde periode. De omvang van stroomgrootheden wordt over een bepaalde periode gevormd.

Afschrijven:
De kosten van waardevermindering van machines.

Toegevoegde waarde (productiewaarde):
De waardeverhoging van een product die ontstaat door bewerking van het product.

     
 

gratis! examentraining

eindexamenpagina.nl

 
       
   
       
 

disclaimer & contact

home