| |
Loon:
De beloning voor de productiefactor arbeid.
Huur:
De beloning voor het ter beschikking stellen van bezit.
Rente:
De prijs van geleend geld. Een andere naam voor rente is interest.
Winst:
Winst is het positieve verschil tussen opbrengst en kosten. Is het
verschil negatief, dan is er sprake van verlies.
Pacht:
De beloning voor het gebruik van land dat iemand moet betalen.
Ondernemersrisico:
Het financiële risico dat een ondernemer loopt. Er is bijvoorbeeld
risico op faillissement of klanten die niet betalen.
Kapitaalgoederen:
Machines.
Investeren:
Het kopen van kapitaalgoederen, bijvoorbeeld
machines en computers door bedrijven.
Vermogen:
Eigen vermogen + vreemd vermogen.
Eigen
vermogen:
Het geld dat door de ondernemer(s) zelf in de onderneming is ingebracht.
Vreemd
vermogen:
Dit is vermogen dat door anderen dan de eigenaren in de onderneming is
gebracht. Al het geleende geld is vreemd vermogen.
Balans:
Een overzicht op een bepaald moment van bezittingen en schulden van een
bedrijf op een bepaald moment.
Activa:
Alle bezittingen van een onderneming.
Passiva:
In
de economie zijn passiva de bronnen waarmee een onderneming
gefinancierd is, in feite al het geld dat in de onderneming
geïnvesteerd is.
Productiefactor:
Productiefactoren
zijn alle elementen die produceren mogelijk maken. De productiefactoren
zijn: kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap.
Ondernemerschap:
De economische risico's die eigenaren van een bedrijf bereid zijn te
nemen.
Winst:
Winst is het positieve verschil tussen opbrengst en kosten. Is het
verschil negatief, dan is er sprake van verlies.
Omzet:
Het aantal verkochte producten x de verkoopprijs.
Afzet:
Het aantal verkochte producten.
Vaste
activa:
Bezittingen
van een bedrijf die meer dan één jaar meegaan. Hier kun je denken aan
gebouwen, inventaris en machines. Ook wel vaste kapitaalgoederen
genoemd.
Vlottende activa:
Productiemiddelen
die korter dan één jaar meegaan of snel zijn om te zetten in geld.
Bijvoorbeeld de voorraad goederen in een onderneming.
Voorraadgrootheid:
De
waarde van voorraadgrootheden wordt gemeten op een bepaald moment. De
omvang van voorraadgrootheden wordt op een bepaald moment gemeten.
Debiteuren:
Dit
zijn openstaande rekeningen van reeds geleverde goederen die nog
niet zijn betaald. Een debiteur is iemand die jou nog moet
betalen.
Crediteuren:
Crediteuren
zijn alle openstaande rekeningen van een onderneming of organisatie die
nog betaald moeten worden. Een crediteur is een schuldeiser die je nog
moet betalen.
Resultatenrekening:
Een overzicht van alle kosten en opbrengsten in een onderneming. Een
andere naam is: Verlies- en winstrekening.
Stroomgrootheid:
De
waarde van stroomgrootheden wordt gemeten over een bepaalde periode. De
omvang van stroomgrootheden wordt over een bepaalde periode gevormd.
Afschrijven:
De kosten van waardevermindering van machines.
Toegevoegde
waarde (productiewaarde):
De waardeverhoging van een product die ontstaat door bewerking van het
product. |
|