Economiepagina.com

 
  Economie leren en oefenen doe je op economiepagina.com: uitleg, oefentoetsen en alle examens!  
     
     
     
 

oefenopgaven crisis

antwoorden

 
       
   
       
 

terug naar crisis

terug naar lesbrieven

 
     
 

Lesbrieven LWEO
Lesbrief Crisis havo
Samenvatting Crisis deel 2

 
     
 

HOOFDSTUK 2: Geld en ruil

De waarde die op de munt staat, is de nominale waarde van de munt. De waarde van het materiaal waarvan de munt is gemaakt, is de intrinsieke waarde.

Als het vertrouwen in het geld afneemt, gaan mensen met andere muntsoorten betalen of in natura ruilen. Door zeer grote prijsstijgingen, hyperinflatie, kan het vertrouwen in geld verloren gaan.

Munten en bankbiljetten (stoffelijk geld) noemen we chartaal geld. Giraal geld is virtueel geld dat op je bankrekening staat. Zo’n rekening noemen we een betaalrekening of een rekening-courant.

Je kunt op verschillende manieren met giraal geld betalen: met een overschrijfkaart, elektronische overschrijving, met een pinpas of met een creditcard. Deze hulpmiddelen zijn zelf geen geld. En omdat giraal geld niet tastbaar is, wordt het ook wel onstoffelijk geld genoemd.

Functies van geld:

ruilmiddel: je kunt ermee betalen, want geld is een algemeen aanvaard ruilmiddel.
rekeneenheid: geld wordt gebruikt om de waarde van goederen en diensten vast te stellen
spaarmiddel: je kunt het tijdelijk bewaren, bijvoorbeeld als je een deel van je inkomen niet consumeert.

Arbeidsdeling: mensen kunnen zich specialiseren en toeleggen op één activiteit. Meer ervaring bekwaamheid neemt toe. Door arbeidsdeling en specialisatie stijgt de arbeidsproductiviteit.

Arbeidsproductiviteit: de productie per persoon per tijdseenheid.

Arbeidsdeling binnen het huishouden: Annechien is sneller in schoonmaken dan Kira, en Kira kan in minder tijd de tuin onderhouden. Annechien heeft een absoluut voordeel in schoonmaken en Kira een absoluut voordeel in tuin onderhouden.

Absoluut voordeel in dit verband is een voordeel in aantal benodigde uren per taak. Sjonnie heeft voor koken 50% meer tijd nodig dan Sjannie en voor kinderen verzorgen heeft hij 125% meer tijd nodig. Zijn achterstand bij koken is het kleinst. Hij heeft bij koken een comparatief voordeel ten opzichte van kinderen verzorgen.

Bij kredietverlening vragen de banken rente van de leners. Bij sparen geven de banken rente aan de spaarders. Rente is de prijs van geld.

Maatschappelijke geldhoeveelheid = De hoeveelheid geld dat in omloop is. De bank leent dan geld uit zonder dat er eerst spaargeld is binnengekomen. Als klanten geld van hun betaalrekening willen opnemen, moeten banken voldoende liquide middelen (munten en bankbiljetten) hebben om te kunnen uitbetalen. De verhouding tussen liquide middelen en de rekening-couranttegoeden noemen we het liquiditeitspercentage of dekkingspercentage.

Banken hoeven geen liquiditeit van 100% aan te houden, omdat in de praktijk het overgrote deel van de rekening-couranttegoeden niet contant wordt opgevraagd. Mensen en bedrijven betalen namelijk steeds meer giraal.

Dit kan veranderen als er paniek uitbreekt. geen vertrouwen in bank massaal contant geld opnemen wie te laat is vist achter het net. bank gaat failliet, kan schulden niet terugbetalen.

Liquiditeitspercentage = liquide middelen ÷ rekening-couranttegoeden x 100%