| |
HOOFDSTUK 2: Het ontstaan van munten
Zodra mensen op een gegeven moment in de geschiedenis meer
produceren dan ze voor hun eigen behoeften nodig hebben, ontstaat er
arbeidsdeling en ruil. Mensen leggen zich toe op de productie van
die producten waar zij het beste in zijn of het meest mee kunnen
verdienen. Deze arbeidsdeling leidt tot ruil, aanvankelijk goederen
tegen goederen (directe ruil of ruil in natura).
Door invoering van een ruilmiddel ontstaat indirecte ruil:
goederen worden geruild tegen een ruilmiddel (geld) bijvoorbeeld
zout, schelpjes, goud en zilver.
Geld moet het aan een aantal eisen voldoen:
• Het moet algemeen aanvaard zijn: iedereen wil het hebben.
• Een kleine hoeveelheid moet een grote waarde vertegenwoordigen
zodat grote waarden makkelijk te vervoeren zijn.
• Het moet deelbaar zijn.
• Het mag niet bederven en daardoor waardevast zijn.
De eerste munten zijn standaardmunten. De intrinsieke waarde
of materiaalwaarde is even hoog als de nominale waarde, dat
is de waarde die erop vermeld staat.
De eerste standaardmunten waren van zilver of goud. Het bestaan van
gouden en zilveren munten naast elkaar leidt tot het bestaan van een
dubbele standaard. Omdat de waarde van het goud en de waarde van het
zilver fluctueerde leidde dit tot een overwaardering of
onderwaardering van de ene munt (goud) ten opzichte van de andere
munt (zilver).
Later werden ook intrinsiek onvolwaardige munten in omloop gebracht.
Deze tekenmunten hebben een intrinsieke waarde die lager is dan de
nominale waarde. Tekenmunten zijn een voorbeeld van fiduciair
geld: geld dat gebaseerd is op vertrouwen.
Tot de bezittingen van de banken horen ondermeer de beleggingen in
buitenlandse valuta, in binnenlandse of buitenlandse
hypotheekleningen, etc. Toen door de kredietcrisis de buitenlandse
hypotheekleningen sterk in waarde daalden, kwamen diverse banken in
solvabiliteitsproblemen. De schulden van de banken waren
groter dan hun bezittingen.

|
|