| |
Hoogconjunctuur (overbesteding):
Situatie waarbij de consumenten meer willen kopen dan er kan worden
geproduceerd.
Laagconjunctuur (onderbesteding):
Situatie waarbij de consumenten minder willen kopen dan er kan worden
geproduceerd.
Conjunctuurschommelingen:
Schommelingen in de productie door veranderingen in de bestedingen aan goederen
en diensten.
Arbeidsmarktflexibiliteit:
Het tempo waarmee de vraag en het aanbod zich op de arbeidsmarkt aanpassen.
Vacature:
Onbezette arbeidsplaats waarvoor een bedrijf personeel zoekt.
Ontslagrecht:
De wettelijk geldende regels omtrent het ontslag van een werknemer.
Vaste baan:
Is hetzelfde als een contract voor onbepaalde tijd.
Flexibele schil van de arbeidsmarkt:
Alle werknemers met een tijdelijk contract. Bijvoorbeeld: zzp'ers en
uitzendkrachten.
Marktfalen:
Bij marktfalen faalt de marktwerking, dat wil zeggen dat de markt geen optimale
oplossing tot stand kan brengen.
Asymmetrische informatie:
De ene partij beschikt over meer informatie dan de andere partij.
Berovingsprobleem:
Situatie waarbij de ene speler zwakker is geworden, omdat hij een (kostbare)
investering heeft gedaan.
Passende arbeid:
Arbeid die past bij de opleiding en ervaring van een arbeidsongeschikte
werknemer.
Reïntegratieverplichting:
De werkgever is dan wettelijke verplicht om een werknemer naar een nieuwe baan
te begeleiden. |
|