| |
Werkloosheidspercentage:
Werkloosheid als percentage van de beroepsbevolking.
Werkloosheid:
Als je tussen 15 tot en met 64 jaar oud bent en minder dan 12 uur per week werkt
en actief op zoek bent naar betaald werk voor 12 uur of meer en daarvoor direct
beschikbaar bent.
UWV werkbedrijf:
De instantie waar werklozen zich moeten laten inschrijven als ze in aanmerking
willen komen voor een uitkering.
Arbeidsverleden:
Het aantal jaren dat je hebt gewerkt.
Vraaguitval:
Het dalen van de bestedingen.
Conjuncturele werkloosheid:
Werkloosheid die ontstaat door minder verkoop van goederen en diensten.
Ruime arbeidsmarkt:
Het aanbod van arbeid is groter dan de vraag naar arbeid. Mensen vinden moeilijk
een baan. De lonen zullen meestal dalen bij een ruime arbeidsmarkt.
Laagconjunctuur (onderbesteding):
Situatie waarbij de consumenten minder willen kopen dan er kan worden
geproduceerd.
Hoogconjunctuur (overbesteding):
Situatie waarbij de consumenten meer willen kopen dan er kan worden
geproduceerd.
Krappe arbeidsmarkt:
De vraag naar arbeid is groter is dan het aanbod van arbeid. Bedrijven kunnen
moeilijk aan mensen komen. De lonen stijgen meestal bij een krappe arbeidsmarkt.
Bezettinggraad:
Het deel van de productiecapaciteit dat wordt benut.
Productiecapaciteit:
De maximale hoeveelheid producten dat een bedrijf kan maken. De
productiecapaciteit wordt bepaald door het aantal mensen in dienst en de
hoeveelheid machines in een bedrijf.
Recessie:
Het nationaal inkomen groeit minder hard dan de trend.
Loonstarheid:
De lonen passen zich niet snel aan op veranderingen van arbeidsmarkt.
Onvrijwillige werkloosheid:
Werkloosheid die ontstaat omdat lonen zich op korte termijn niet aanpassen aan
de markt.
Loonflexibiliteit:
Als de lonen zich snel aanpassen op veranderingen van de arbeidsmarkt.
Natuurlijke werkloosheid:
Werkloosheid die niet ontstaan door veranderingen in de economie. Bijvoorbeeld:
Frictiewerkloosheid en structurele werkloosheid.
Frictiewerkloosheid:
Als je bent ontslagen, kost het enige tijd om een nieuwe baan te vinden.
Structurele werkloosheid:
Werkloosheid die ontstaat omdat bedrijven op een andere manier hun producten
gaan maken.
Creatie van werkgelegenheid:
Het ontstaan van nieuwe banen.
Destructie van werkgelegenheid:
Het verloren gaan van banen.
Arbeidsmobiliteit:
De bereidheid van mensen bereid om te veranderen van baan, beroep of regio.
Evenwichtsloon:
Het loon waarbij de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt aan elkaar gelijk
zijn.
Minimumloon:
Het laagst wettelijk toegestane salaris.
Welvaartswinst:
Werkgeverssurplus + werknemerssurplus
Welvaartsverlies:
De prijs om de laagbetaalde werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt een
redelijk inkomen te geven.
Arbeidsmarktbeleid:
Het beleid van de overheid met als doel een evenwichtige ontwikkeling van de
arbeidsmarkt.
Stabilisator:
Het proberen iets stabiel te maken, zorgen dat het zo min mogelijk verandert. |
|