Economiepagina.com

 
  Economie leren en oefenen doe je op economiepagina.com: uitleg, oefentoetsen en alle examens!  
     
     
     
 

oefenopgaven werk en werkloosheid

antwoorden

 
       
   
       
 

terug naar werk en werkloosheid

terug naar lesbrieven

 
     
 

Lesbrieven LWEO
Lesbrief Werk en werkloosheid havo
Begrippen hoofdstuk 5: Werkloosheid

 
     
 

Werkloosheidspercentage:
Werkloosheid als percentage van de beroepsbevolking.

Werkloosheid:
Als je tussen 15 tot en met 64 jaar oud bent en minder dan 12 uur per week werkt en actief op zoek bent naar betaald werk voor 12 uur of meer en daarvoor direct beschikbaar bent.

UWV werkbedrijf:
De instantie waar werklozen zich moeten laten inschrijven als ze in aanmerking willen komen voor een uitkering.

Arbeidsverleden:

Het aantal jaren dat je hebt gewerkt.

Vraaguitval:
Het dalen van de bestedingen.

Conjuncturele werkloosheid:
Werkloosheid die ontstaat door minder verkoop van goederen en diensten.

Ruime arbeidsmarkt:
Het aanbod van arbeid is groter dan de vraag naar arbeid. Mensen vinden moeilijk een baan. De lonen zullen meestal dalen bij een ruime arbeidsmarkt.

Laagconjunctuur (onderbesteding):
Situatie waarbij de consumenten minder willen kopen dan er kan worden geproduceerd.

Hoogconjunctuur (overbesteding):
Situatie waarbij de consumenten meer willen kopen dan er kan worden geproduceerd.

Krappe arbeidsmarkt:
De vraag naar arbeid is groter is dan het aanbod van arbeid. Bedrijven kunnen moeilijk aan mensen komen. De lonen stijgen meestal bij een krappe arbeidsmarkt.

Bezettinggraad:
Het deel van de productiecapaciteit dat wordt benut.

Productiecapaciteit:
De maximale hoeveelheid producten dat een bedrijf kan maken. De productiecapaciteit wordt bepaald door het aantal mensen in dienst en de hoeveelheid machines in een bedrijf.

Recessie:
Het nationaal inkomen groeit minder hard dan de trend.

Loonstarheid:
De lonen passen zich niet snel aan op veranderingen van arbeidsmarkt.

Onvrijwillige werkloosheid:
Werkloosheid die ontstaat omdat lonen zich op korte termijn niet aanpassen aan de markt.

Loonflexibiliteit:
Als de lonen zich snel aanpassen op veranderingen van de arbeidsmarkt.

Natuurlijke werkloosheid:
Werkloosheid die niet ontstaan door veranderingen in de economie. Bijvoorbeeld: Frictiewerkloosheid en structurele werkloosheid.

Frictiewerkloosheid:
Als je bent ontslagen, kost het enige tijd om een nieuwe baan te vinden.

Structurele werkloosheid:
Werkloosheid die ontstaat omdat bedrijven op een andere manier hun producten gaan maken.

Creatie van werkgelegenheid:
Het ontstaan van nieuwe banen.

Destructie van werkgelegenheid:
Het verloren gaan van banen.

Arbeidsmobiliteit:
De bereidheid van mensen bereid om te veranderen van baan, beroep of regio.

Evenwichtsloon:
Het loon waarbij de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt aan elkaar gelijk zijn.

Minimumloon:
Het laagst wettelijk toegestane salaris.

Welvaartswinst:
Werkgeverssurplus + werknemerssurplus

Welvaartsverlies:
De prijs om de laagbetaalde werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt een redelijk inkomen te geven.

Arbeidsmarktbeleid:
Het beleid van de overheid met als doel een evenwichtige ontwikkeling van de arbeidsmarkt.

Stabilisator:
Het proberen iets stabiel te maken, zorgen dat het zo min mogelijk verandert.

     
 

gratis! examentraining

eindexamenpagina.nl

 
       
   
       
 

disclaimer & contact

home