| |
Paragraaf 4: Waar kies je voor?

Bereken bij de formule nieuw - oud gedeeld door oud, altijd
eerst het verschil in aantal. Let wel goed op wat oud is en wat
nieuw is. Deel vervolgens door het oude getal. Tot slot x 100 doen.
De
koopkracht van je inkomen bepaalt hoeveel goederen en
diensten je kunt kopen. De koopkracht hangt af van het inkomen en
van de prijzen, als het inkomen en de prijspeil evenveel veranderen,
blijft de koopkracht dus gelijk.
In de economie heeft men het vaak over middelen. Dit
zijn bijvoorbeeld: geld, tijd en bezittingen. Als je veel middelen
hebt, kun je in veel behoeften voorzien. Je hebt dan een grote
welvaart.
Bij welvaart kijk je hoe je met je middelen in je behoeften
kunt voorzien.
Welvaart is niet altijd in geld uit te drukken. Lekker weer, mooie
muziek of een goede gezondheid zijn lastig om in geld uit drukken,
maar hebben wel invloed op je welvaart.
Omdat iedereen altijd te weinig geld of tijd heeft is er eigenlijk
altijd sprake van schaarste. Schaarste wil zeggen dat je niet
genoeg van iets hebt om in alle behoeften te kunnen voorzien.
Consumenten kunnen invloed hebben op de goederen en diensten die de
bedrijven maken. Door goederen veel te kopen of juist helemaal niet,
bepalen consumenten wat de bedrijven moeten maken.
Soms voorzie je zelf in een deel van je behoeften. Als je
bijvoorbeeld zelf kleding maakt of je eigen groentetuin hebt. Dit
heet dan zelfvoorziening.

|
|